Het wetsvoorstel “Wet platformwerk” beoogt de positie van personen die werken voor een digitaal arbeidsplatform te verbeteren. De alternatieven zijn voldoende afgewogen en de gevolgen voor de regeldruk zijn in beeld gebracht. Dat schrijft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) in een advies aan de minister van Werk en Participatie.

Context en inhoud
Het wetsvoorstel implementeert de Europese Richtlijn tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk. Het gaat om personen die werken voor bijvoorbeeld Uber en Deliveroo. Het wetsvoorstel introduceert daarom het rechtsvermoeden. Dit rechtsvermoeden bevat de volgende vijf criteria: (1) het digitale arbeidsplatform stelt de hoogte van de vergoeding vast, (2) het platform bepaalt de verdeling en toewijzing van opdrachten, (3) het platform houdt toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden, (4) het platform beperkt de vrijheid om opdrachten wel of niet aan te nemen bijvoorbeeld door het opleggen van sancties en (5) het platform stelt eisen aan representatie. Als aan twee van de vijf criteria is voldaan, dan wordt een arbeidsovereenkomst vermoed. Het is vervolgens aan het platform om te bewijzen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Verder regelt het wetsvoorstel enkele verplichtingen en beperkingen rond het gebruik van geautomatiseerde besluit- en monitoringssystemen.
Minder belastende alternatieven
De richtlijn kent op enkele onderdelen beleidsruimte. Het wetsvoorstel kiest ervoor om die beleidsruimte lastenluw in te vullen. Het wetsvoorstel kent geen nationale koppen.
Werkbaarheid en regeldruk
Uit de memorie van toelichting blijkt dat een mkb-toets heeft plaatsgevonden en dat de mkb-toets heeft geleid tot enkele aanpassingen. Ook de regeldruk is voldoende in kaart gebracht.
De formele titel van het wetsvoorstel is “Wet platformwerk”.