Het Uitvoeringsbesluit Gigabitinfrastructuurverordening moet de aanleg van snelle digitale netwerken, zoals glasvezel- en 5G-netwerken, eenvoudiger en goedkoper maken. De noodzaak, alternatieven en werkbaarheid van het besluit zijn voldoende toegelicht. De regeldrukgevolgen van de landelijke vrijstelling van de vergunningplicht zijn echter nog niet gekwantificeerd. Dat schrijft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) in zijn advies aan de minister van Economische Zaken en Kiimaat.

Snelle aanleg van digitale netwerken
Het besluit geeft uitvoering aan de Europese Gigabitinfrastructuurverordening. Deze verordening bevat regels om de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met zeer hoge capaciteit te versnellen en de kosten daarvan te verlagen. Het gaat onder meer om toegang tot bestaande infrastructuur, de coördinatie van civiele werkzaamheden, informatieverstrekking en vergunningprocedures. Het besluit wijst de bevoegde instanties en centrale informatiepunten in Nederland aan. Ook regelt het hoe informatie over bestaande infrastructuur en geplande werkzaamheden beschikbaar wordt gesteld. Daarbij wordt onder meer aangesloten bij bestaande voorzieningen van het kadaster.
Gebruik bestaande uitvoeringsstructuren
De verordening sluit zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande instanties, informatievoorzieningen en werkprocessen. Zo worden het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur als bevoegde instanties aangewezen. Ook wordt voor de informatievoorziening gebruikgemaakt van de bestaande systematiek voor informatie-uitwisseling over kabels en leidingen. Hierdoor hoeven geen volledig nieuwe uitvoeringsstructuren te worden ingericht.
Vergunningvrijstelling houdt de regeldruk laag
De toelichting besteedt aandacht aan de regeldruk en maakt onderscheid tussen lasten die rechtstreeks uit de Europese verordening voortvloeien en gevolgen van nationale keuzes. Een afzonderlijk regeldrukonderzoek vergelijkt het nieuwe regime met de bestaande situatie. Voor de landelijke vrijstelling van de vergunningplicht ontbreekt echter een kwantitatieve inschatting. Daardoor is nog niet duidelijk hoeveel werkzaamheden onder de vrijstelling vallen en welke tijd- en kostenbesparingen dit oplevert voor bedrijven.