Het Kabinet werkt met het besluit verder uit hoe bedrijven moeten voldoen aan de verplichting om hun waterstofgebruik te vergroenen. Het zondert 60% van waterstofgebruik in de ammoniakindustrie uit van deze verplichting om de internationale concurrentiepositie te waarborgen. Onduidelijk is waarom gekozen is voor dit percentage. Ook is onduidelijk wat de gevolgen zijn als de Europese Commissie de uitzondering niet goedkeurt. Dit schrijft ATR aan de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG).

Inhoud

In de Wet jaarverplichting hernieuwbare brandstofeenheden is vastgelegd hoe Nederland moet voldoen aan het Europese doel om het aandeel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie te verhogen. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun industrie vanaf 2030 gebruik maakt van tenminste 42% groene waterstof op het totaalgebruik. Het voorliggende besluit geeft uitwerking aan de regels die volgen uit de wet. 

Aandachtspunten bij uitwerking uitzonderingspositie voor ammoniakproducenten

Het besluit introduceert een uitzondering van 60% waterstofgebruik voor ammoniakproductie-installaties om hun concurrentiepositie te waarborgen. ATR constateert dat de nota van toelichting onvoldoende onderbouwt waarom voor dit uitzonderingspercentage gekozen is. Het is van belang om bij de onderbouwing inzicht te bieden in de effecten op de concurrentiepositie van de sector bij verschillende percentages. 

Ook moet de uitzondering nog door de Europese Commissie worden goedgekeurd. Daarom adviseert ATR om duidelijk te maken welke maatregelen worden toegepast als de Commissie deze uitzondering niet verleent. Voldoende rechtszekerheid bieden is van belang gezien de grote investeringen die bedrijven in hun processen dienen te doen om te kunnen voldoen aan de verplichtingen van het besluit.

Minder belastende alternatieven en werkbaarheid
Het voorstel besteedt geen aandacht aan minder belastende alternatieven. Zo zondert het besluit kleine waterstofgebruikers met een jaarlijks gebruik van 0,1 kiloton uit van de jaarverplichting, maar is onduidelijk waarom gekozen is voor deze grens.  Daarnaast vraagt ATR aandacht voor de werkbaarheid voor bedrijven die actief zijn binnen industriële clusters en de rekenmethoden die bedrijven moeten toepassen om de hoogte van de jaarverplichting vast te stellen. 

Regeldruk

Tot slot constateert ATR dat de in de bovenliggende Wet in beeld gebrachte regeldrukgevolgen geactualiseerd moeten worden conform de Rijksbrede methodiek. 

De formele titel van het wetsvoorstel luidt Besluit van [datum] houdende regels met betrekking tot de jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie ter ondersteuning van het behalen van het doel in de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) ter bevordering van het verbruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong industrie (Besluit jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie)